Het zoeken naar een eigen, nationale stijl viel niet toevallig samen met een krachtige herleving van de Nederlandse economie, die onder meer was te danken aan de uitbating van onze koloniën. De hiermee gepaard gaande handelsactiviteiten zorgden voor een snelle uitbreiding van de infrastructuur, zoals de aanleg van kanalen en spoorwegen, en maakten dat Nederland internationaal weer een rol van betekenis begon te spelen. Daarnaast werd in de jaren 1890 een aantal belastingmaatregelen genomen dat het voor de bezittende klasse aantrekkelijker maakte in industriële activiteiten te investeren. De economische bloei leidde tot een expansie van steden als Amsterdam en Den Haag, waar een maatschappelijke klasse ontstond die uitdrukking wilde geven aan haar rijkdom. Het is tegen deze achtergronden - het zoeken naar een nieuwe stijl, het ontstaan van kunstnijverheidsscholen die de eerste generatie sierkunstenaars afleverden, en de opbloei van de nationale economie met alle positieve gevolgen van dien - dat de vernieuwingsbeweging van rond 1900 verklaard kan worden.